Openbaring
Pastoor John Maguire had geen goeie dag.
Er waren maar weinig mensen naar de ochtendmis gekomen. Een paar zwervers hadden een paar minuten lang iets warmers gezocht dan hun slaapplaats op de roosters van de ondergrondse.
Gek genoeg schenen sommige van hen het gecompliceerde ritueel van zitten, opstaan knielen goed te kennen, zo niet beter dan zijn eigen parochianen.
Ze hadden aandachtig geluisterd naar zn preek over de Kruisiging van Christus, terwijl hun ongewassen gezichten kinderlijk verdwaasd naar hem opkeken.
Daarna waren ze doorgegaan met hun jacht op weg gegooid brood en lege blikjes.
De al even naargeestige middag bracht hij door in de benauwde biechtstoel, luisterend naar de waslijst dagelijkse zonden van een zekere oudere dame (die we hier maar even rose noemen) die iedere week bij hem om vergeving kwam vragen. Rose was een flets, magere vrouw dat haar misdaden in zijn oor fluisterde alsof ze hem aan het inwijden was in de geheimen van leven en dood.
De zonden van deze week betroffen het drinken van wiskey, het zo nu en dan ijdel gebruiken van de naam van God, en, tamelijk onverwacht, een vluchtige wellustige aandrang om te masturberen, waarvoor Maguire haar beloonde met 3 weesgegroetjes, onder de indruk als hij was van haar vooruitgang.
Toen de vrouw was vertrokken, bleef Maguire in gedachten verzonken een paar uur zitten in de muf ruikende biechtstoel.
Hij reageerde zelfs niet toen zijn Kapelaan hem riep.
Hij bleef in de biechtstoel zitten tot de klokken begonnen te luiden voor de Avondmis en pas toen wist hij zich vermoeid en met tegenzin uit het beschuttende duister los te maken.
Het regende dat het goot op de Amsterdam Avenue, en de verspreid in de kerk staande kaarsen konden de November duisternis niet verdrijven.
De weinige mensen die zich onder hun paraplu`s voortrepten, groetten hem terloops en namen plaats in de kerkbanken, gehuld in natte jassen die ongeluk uitwasemden.
Toen het klokgelui ophield, sjokte Maguire de kerk door en beklom hij wederom de Preekstoel.
Terwijl hij uitkeek over de verspreide figuren die zaten te wachten tot hij zou beginnen, leek de kerk plotseling te groot, met zijn steil oprijzende muren die hoog in het gewelf verdwenen.
De glas in loodramen met hun kleurige afbeeldingen van Heiligen en Apostelen keken met afkeuring op hem neer.
De Misdienaars bewogen aan de randen van zijn gezichtsveld als motten om een kaarsvlam.
Opeens begon zijn hoofd verschrikkelijk te bonken en hij dacht even dat hij flauwviel.
Terwijl hij probeerde om de pijn in zijn slapen weg te masseren, ging een van de grote houten deuren van de kerk met een klap open en kwam er tegelijk met een regenvlaag een man binnen.
Er verscheen een barst in de zwaarmoedigheid die Pastoor Maguire omhulde, en alle andere aanwezigen verdwenen in de schaduw toen hij opkeek en zijn ogen in de richting werden getrokken van de vreemde man
die achter in de Kerk stond.
Hij kon het gezicht van de man niet onderscheiden, maar kon wel zien dat deze lang was en gespierd, met het krachtige lichaam van iemand die gewend was om zware arbeid te verrichten.
Zijn korte zwarte haar glansde van de regen en plakte tegen zijn hoofd.
Hij had een smerige broek aan en een verweerd zwart leren jack.
De man duwde met een zwarte laars de deur achter zich dicht en haalde een hand door zijn haar, waarop een nonchalante lok over zijn voorhoofd viel.
Hij liep langzaam de kerk in en nam plaats in de achterste bank.
Achteroverleunend legde hij zijn laarzen op de bank voor zich en legde zijn armen op de achterzijde van zijn eigenbank.
Behalve de Pastoor scheen niemand iets van hem te merken, nog van zijn ongebruikelijke gedrag, terwijl zich toch een laars gevaarlijk dicht bij het hoofd van een oudere Parochiaan bevond en er een arm losjes om de schouder hing van kerkmeester Pederson, een plaatselijke, niet onbemiddelde bankier.
De Pastoor hield er mee op de man aan te gapen en ging door met de Mis.
Wie de man ook was, zijn ogenschijnlijke onzichtbaarheid voor alle anderen was iets waar de Priester niet over na wilde denken.
Hij concentreerde zich in plaats daarvan op de aantekeningen voor hem die hij een paar minuten daarvoor haastig had neergekrabbeld.
Zijn Preek ging over het Geloof,
iets waarvan hij op dit moment weinig had, maar hij deed zijn best om iets oprechts in zijn preek te leggen.
Eens had hij genoeg geloof gehad, in overvloed zelfs.
Als student aan het St. Anselms Seminarie geloofde hij met heel zijn hart dat de wereld goed was en dat zij zich met een beetje van zijn hulp kon ontwikkelen tot iets wonderbaarlijks.
Maar tien jaar trouwe dienst hadden hem afgemat.
Alles was alleen maar erger geworden en de vroegere heldere, stralende vreugde van het geloof was verworden tot een zware druk, midden op zijn borst.
Terwijl de Parochianen van de St Mary zag vergrijzen, was hij meer en meer verbitterd geraakt, niettegenstaande zijn wekelijkse pogingen hen voor te houden dat het geloof ze uit hun geestelijke verstarring kon bevrijden.
Daarom was het ritueel van het verkondigen van een geloof in iets dat hij zelf niet zag, hem gaan voorkomen als de daad van een man die in de ruimte praat.
Hij slaagde erin om zijn preek zonder stamelen te beeindigen, hoewel hij de blik van de man onafgebroken op zich voelde rusten.
Na de preek begonnen de mensen naar voren tekomen om ter Communie te gaan.
Ze Knielde neer op een mooie oude mahoniehouten Communiebank die links en rechts voor het Hoogaltaar stond.
Maguire trad plichtmatig op de eerste communiekant toe, terwijl hij vermeed haar aan te kijken.
Juist als hij de mensen aankeek werd hij het meest neerslachtig.
Als ze hun handen of mond opende om de Heilige Hostie en de wijn te ontvangen, zag hij aan hun ogen en aan hun zenuwachtige kaken dat ze meer werden bewogen door schuldgevoel dan door vreugde.
Hij moest dikwijls de bijna onweerstaanbare aanvechting overwinnen om ze flink op hun smoel te slaan, in plaats van de wekelijkse Pantomine op te voeren en te fluisteren het Lichaam van Christus beware uw ziel tot eeuwig leven Amen
Hij werkte de rij communicanten snel af, eerst met de Hostie en daarna met de Geconsacreerde wijn, als een geautomatiseerde geestelijke snoepautomaat.
Ze kwamen in golven, ze vielen neer op de versleten fluwelen kussens van de bank en liepen als ze waren gevoed (precies zeemeeuwen die het strand in de avond afschuimen naar etensresten die de badgasten hebben achtergelaten).
Toen hij bij de laatste rij was aangekomen, zag hij handen om de bovenkant van de communiebank waarvan hij onmiddellijk wist dat ze bij de man van de achterste bank hoorden.
De vingers waren lang en stevig, de bleke nagels keurig en gelijkmatig geknipt.
Op de vingerkootjes groeide zwart haar en hij zag er ook dat er haar van dezelfde kleur bij de polsen groeide.
Over de rug van zijn linkerhand liep een dun, bleek litteken, dat tussen de middel- en de ringvinger verdween.
De Pastoor bestudeerde de handen een ogenblik, terwijl hij zich afvroeg hoe dat litteken daar kwam en hoe dergelijke handen, die kennelijk aan zwaar werk gewend waren, er zo verzorgd uit konden zien.
Hij had verwacht dat er verfresten of olie op zouden zitten.
Toen herinnerde hij zich dat hij de Ciborie met de Hostie`s in zijn handen had en kwam weer bij zijn positieven.
Terwijl hij zijn blik hoger richtte, zag hij dat de man een donker blauw shirt droeg en dat de bovenste 2 knopen daarvan openstonden, waardoor er zwart borsthaar bij zijn keel zichtbaar was.
Even later merkte hij op dat de man hem doordringend aankeek en dat hij grote, donkere ogen had, waarin iets goudkleurigs fonkelde, als natuursteen dat is dooraderd met kostbaar metaalerts.
Hij had een rechte neus die uitliep in een perfecte ronding en zijn brede kaken versmalde zich tot een ongeschoren kin met een smalle spleet onder volle lippen.
De man keek de Pastoor aan alsof hij erop wachtte dat de priester een vraag zou beantwoorden waarvan hij het antwoord al kende.
Vechtend tegen de sterke aandrang om weg te lopen, bracht Maguire de kerk naar de lippen van de man. Hij merkte dat plotseling hoe zwaar de kelk aanvoelde in zijn trillende handen.
Terwijl hij de man de kelk aanbood, zag hij de sensuele lippen opengaan en liet hij de donkere wijn naar binnen vloeien.
Hij Morste een druppel, die langs de kin van de man naar beneden liep.
Maguire veegde deze snel weg met een kelkdoekje.
Hij veegde de rand van de kelk waar de man had gedronken niet schoon, terwijl dit wel de gewoonte was.
Hij gaf de kelk over aan zijn Acoliet, nam een Hostie van de schaal en verbaasde zich over de dunheid hiervan, terwijl hij hem lichtjes tussen zijn vingers hield.
Hij wachtte tot de man zijn handen zou uitsteken om het brood te ontvangen, zoals de meesten doen.
Maar hij richtte eenvoudigweg zijn hoofd op en opende zijn mond om te worden gespijzigd. Maguire legde de Hostie op de uitgestoken tong en reciteerde: het Lichaam van Christus beware uw ziel tot eeuwig leven Amen
Terwijl Maguire de man het sacrament toediende, opende deze zijn mond nog iets verder en nam daarbij niet alleen de hostie, maar ook de vinger van Maguire in zijn mond.
De priester voelde de warmte van zijn lippen toen de man zijn mond sloot, met zijn tong rond Maguire`s vinger ging en er zachtjes op zoog.
Maguire voelde de ongeschoren huid van de mans kin tegen de palm van zijn hand schuren.
Willen jullie weten hoe het verdergaat???? Beoordeel me goed en ik zal verder schrijven.
Voor vragen en opmerkingen mail gerust op masseur-michiel @ Hotmail .cpm
3105 keer gelezen
Score: 8
(van aantal stemmen: 249)
VERTALEN - Je moet eerst inloggen om te kunnen stemmen.
