De schaapsherder. Dag 1
De westenwind giert over de bergwand en voert donkere wolken met zich mee. De zon is inmiddels verdwenen en de lucht voelt koud en vochtig aan. Frank weet dat deze snelle weersverandering niet veel goeds betekent. Al bij zijn vertrek vanmorgen vroeg zag hij de wazige rode gloed in het oosten waar de zon opkwam. Hij wist dat dit de aankondiging van slecht weer betekent en dat hij zich moet voorbereiden op regen en kou, misschien zelfs wel sneeuw.
Hij vervolgt moeizaam zijn weg en weet dat hij snel een goede plaats moet vinden om zijn tent op te zetten. Maar waar hij zich nu bevindt is er geen mogelijkheid. Hij loopt over een open hoogvlakte waar de wind in alle hevigheid toeslaat. Hij ziet evenmin een bergbeek of meertje die nodig is om hem van drinken te voorzien.
Hij bestudeert de wandelkaart, hij weet dat in deze omgeving geen berghutten voor wandelaars zijn maar misschien bevindt er zich in de buurt een boerderij of een bouwval. Op de kaart ziet hij een zwart vakje, dit kan van alles betekenen maar omdat er een beekje langs stroomt besluit hij deze richting uit te gaan.
Inmiddels voert de wind dichte wolken mee die het uitzicht van tijd tot tijd volledig belemmeren. Hij voelt langzaam de koude door zijn jack heendringen.
De dikke wolken omhullen hem dan weer als een beklemmende vacht om vervolgens langs hem heen te razen, zich te openen om een fascinerend uitzicht te openbaren.
Hij vraagt zich af of zijn richting goed is. Hij is van het pad afgeweken om bij de plaats te komen die hem mogelijk genoeg beschutting kan bieden voor het slechte weer.
Plotselinge regenvlagen striemen in zijn gezicht, de regen voelt ijzig koud aan zodat hij besluit zijn wollen muts uit zijn rugzak te halen.
De wind is inmiddels zo aangewakkerd dat hij nauwelijks in staat is te blijven staan, hij weet dat hij snel moet zijn. Hij voelt een lichte paniek in zich opkomen, stel je voor dat hij niet de juiste richting aanhoudt en dat hij verdwaalt. Hij is ver van de bewoonde wereld en afdalen naar de dichtstbijzijnde plaats zou bijna een dag vergen.
Het is drie uur nu, en een vroege duisternis omhult de bergen, het zicht wordt steeds slechter en de regen gaat langzaam over in natte sneeuw. De kou dringt door tot op zijn botten.
Hij zwoegt door en voelt de vermoeidheid toeslaan. Het is zijn zesde wandeldag en eigenlijk heeft hij nog helemaal geen rust genomen. Zijn tocht was zwaar maar door het mooie weer leek hij tot alles in staat, nu voelt hij dat hij veel van zichzelf heeft gevergd.
Dan, bij het plotseling even opentrekken van het dichte wolkendek ziet hij plotseling een hut, voor hij het goed en wel in zich heeft opgenomen onttrekken de wolken de hut weer aan zijn gezicht. Hij slaakt een zucht van verlichting, zijn lopen op kaart en kompas was dus goed. Hij voelt zich direct minder vermoeid en voelt de kracht terug komen in zijn jonge benen. Hij vervolgt zijn weg door de dichte mist en dan, plotseling, staat hij vlak voor de hut. Tot zijn grote blijdschap ziet hij dat het geen bouwval is die op de wandelkaart is aangegeven maar het is een goed gebouwde hut met stallen. De vele schapen geven aan dat het hier een herdershut betreft.
Schoorvoetend loopt hij naar de ingang, er moet iemand zijn, het feit dat er zoveel schapen rondlopen en de honden die met hun luid geblaf zijn aanwezigheid aankondigen betekent dat de herder aanwezig is.
Op het moment dat hij met zijn vuist op de deur wil bonzen wordt deze geopend en staat hij oog in oog met een grote blonde jongen die hem met zijn helblauwe ogen wat verwilderd aankijkt.
In zijn gebrekkige Duits probeert Frank duidelijk te maken dat hij op zoek is naar een beschermend nachtverblijf maar de jongen blijft hem aanstaren zonder iets te zeggen.
Hij probeert het opnieuw en gebruikt nu handen en voeten om zijn bedoeling duidelijk te maken. De jongen zegt enige woorden waarvan Frank niets begrijpt, het klinkt Duits maar hij verstaat er niets van.
Toch lijkt de herder hem nu te begrijpen, hij opent de deur en loopt zelf terug naar binnen, zonder iets te zeggen .
Frank volgt hem schoorvoetend: is it O.K. vraagt hij nu in het Engels. De herder trekt zijn schouders op en wijst hem naar een matras op de grond in een aangrenzend kamertje. Hij schijnt het te begrijpen.
Hij zegt niets en blijft hem aanstaren als hij zijn rugzak afdoet en zich ontdoet van zijn natte jack, handschoenen en muts.
In de hut is het behaaglijk. Een open haard straalt een heerlijke warmte uit en Frank voelt hoe de kou in zijn botten minder wordt.
Dan pakt de herder plotseling zijn kleren en hangt ze aan een lijn in de kleine kamer. Hij maakt een gebaar met zijn hand naar zijn mond oessen zegt hij maar Frank begrijpt het gebaar, of hij wil eten.
Hij knikt enthousiast ja, sinds vanochtend heeft hij niets gegeten.
Frank voelt zich toch onbehaaglijk. Ondanks de kleine gebaren die hem duidelijk maken dat hij welkom is blijft de herder erg nors en lijkt heel onvriendelijk. Zijn grote gestalte en wilde uiterlijk maken hem imposant. Het lange blonde krullende haar hangt tot op zijn schouders en zijn ongeschoren, nog jonge gezicht geven hem iets verwilderds. Zijn ogen en gedrag passen daar bij.
Dan begint hij te gebaren. Het is Frank eerst onduidelijk wat hij bedoelt, dan begint hij het te begrijpen. De rest van de natte kleding moet uit om te drogen voor de open haard.
In zijn rugzak zoekt hij een droog T-shirt, droge sokken en slip en zijn jeans. Hij kleedt zich uit maar voelt zich ongemakkelijk omdat de herder hem met zijn starende blik geen moment loslaat.
Terwijl hij zijn wandelkleding en slip uittrekt en zijn droge kleding aantrekt blijven zijn ogen op hem gericht, hij zegt niets, hij beweegt niet hij kijkt alleen. Als Frank zich van zijn slip ontdoet voelt hij de ogen op zijn geslacht gericht, Frank draait zich om maar weet dat de ogen hem blijven aanstaren.
Dit staren en zijn zwijgzaamheid maken Frank nerveus. Hij vraagt zich af waar hij is terecht gekomen en of de herder niet een zwakbegaafd iemand is. Als hij zijn droge kleding heeft aangetrokken pakt de herder zijn natte kleding van de grond en begint dit langzaam op te hangen aan een tweede lijn die boven de open haard hangt.
Dan begint hij zwijgend met het bereiden van een maaltijd en in korte tijd verspreid de open haard niet alleen een heerlijke warmte maar vult de kamer zich met de geur van spek en bonen.
Frank maakt van de gelegenheid gebruik de hut wat beter te bekijken. Het bestaat uit twee ruimten. Eén ruimte waar zij zich beiden in bevinden, een kleine kamer met een open haard, een klein keukenblok, een houten tafel met twee stoelen en een lage gemakkelijke stoel die zéér versleten lijkt.
De andere ruimte is een opslag annex slaapkamer. In de kamer ligt een matras en een kast. Verder staan er wat dozen opgestapeld.
Later zal Frank zien dat er ook nog een provisiekast is die via de buitenkant van het huis is te bereiken.
Het keukenblok heeft een pomp waarmee de herder helder water naar boven pompt.
De verlichting komt van twee olielampen die in de kamer hangen en een lichte olielucht verspreiden.
Als de herder niet zon norse en verwilderde indruk had gemaakt zou Frank de hut gezellig en sfeervol hebben gevonden. De behaaglijke warmte, de etenslucht terwijl buiten de wind inmiddels is aangewakkerd tot een storm en rondom de hut giert.
De natte sneeuw is inmiddels overgegaan in droge sneeuw die door de wind wordt voortgejaagd.
Zwijgend gaan ze aan tafel. Als de stilte Frank te veel wordt wijst hij naar zichzelf en zegt: Frank, ich heisse Frank.
Dan breekt er op het woeste gezicht van de herder een lach door die zijn gezicht plotseling iets heel kinderlijks geeft.
Fronk zegt hij en kijkt met zijn blauwe ogen strak in de ogen van zijn tafelgenoot. Fronk.
Dan is het weer stil tot de herder naar zichzelf wijst en zegt: Urre, Urre.
Of dit zijn naam is weet Frank niet maar vanaf nu zal hij hem Urre noemen.
Het eten is goed en geeft hem nieuwe kracht. Doordat de stemming even is veranderd voelt hij zich ook beter en ziet hij zijn verblijf minder somber in.
Na het eten pakt de herder, zonder iets te zeggen, zijn dikke jas, zet een muts op en gaat naar buiten.
Frank blijft besluiteloos achter. Hij probeert door het raam te zien wat Urre doet maar de sneeuw is zo hevig dat hij weinig ziet.
Het roepen van de herder, het geblaf van honden en het mekkeren van de schapen doen hem evenwel vermoeden dat de schapen in de bouwvallige stallen worden gebracht die hij bij aankomst achter het huis zag.
Om iets te doen pakt hij een teiltje onder de gootsteen en gooit er een deel van het warme water in dat in een ketel boven het haarvuur verwarmt is.
Hij wast de spullen af en zet ze terug op de plaats waar hij de herder ze vandaan heeft zien halen.
Het duurt zeker een uur voor de deur plotseling weer open gaat en, met een ijskoude luchtstroom, de herder weer binnenkomt.
Zonder iets te zeggen hangt hij zijn jas bij de haard en gaat naar de slaapkamer en rommelt daar wat.
Dan komt hij terug en gebaart Frank in de gemakkelijke stoel te gaan zitten. Frank probeert duidelijk te maken dat hij hier slechts onderdak vindt en dat de stoel voor de herder is maar na verloop van tijd geeft hij het op in de veronderstelling dat de herder hem niet begrijpt.
Hij ploft in de stoel en voelt plotseling de vermoeidheid over zijn hele lichaam.
Hij soest wat weg maar schrikt dan plotseling wakker van het stemgeluid van de herder. Deze staat naakt voor het aanrecht en is bezig zich van top tot teen te wassen.
Frank weet niet wat de herder tegen hem zei waardoor hij wakker werd.
Hij ziet het grote, zwaargebouwde lijf van de herder, een lijf dat doet vermoeden dat de herder ouder is dan zijn gezicht doet veronderstellen.
Frank went zijn ogen af van dit intieme schouwspel maar weer zegt de herder wat tegen hem.
Ich verstehe nicht maar de herder heeft zich naar hem toegekeerd en wijst op de slaapkamer. Schloaffen zegt hij.
Frank probeert niet naar het enorme geslacht te kijken dat tussen de sterke gespierde benen van de herder hangt. Dat mannen zo groot geschapen kunnen zijn hield Frank niet voor mogelijk.
Frank haalt de slaapzak en zijn slaapmatras uit de rugzak en toont dat de herder. hier kann ich auf schlafen.
Hij realiseert zich dat Urre zich uiterst langzaam staat af te drogen. Zijn naaktheid is zo alom aanwezig dat Frank geen kant uit durft te kijken. De ogen van de herder zijn, zoals vanmiddag, weer voortdurend op hem gericht en volgen hem bij zijn bezigheden met de rugzak.
Da zegt de herder en wijst naar de slaapkamer. Frank is blij dat hij daarheen kan om zijn spullen daar in orde te gaan brengen.
De herder begint de lampen uit te doen en een diepe duisternis vult de slaapkamer. Frank begint zich in het donker uit te kleden en hoort Urre binnenkomen. Even voelt hij het grote lichaam langs zich heengaan, dan stapt de herder in bed.
Nog een tijdje ligt Frank wakker. Hij hoort de storm om de hut huilen en realiseert zich plotseling dat hij, met deze sneeuw, morgen niet weg kan.
5202 keer gelezen
Score: 8
(van aantal stemmen: 206)
Je moet eerst inloggen om te kunnen stemmen.
